Salarisprofs

Werkkostenregeling wordt er niet duidelijker op

Han Bakker 11-12-2015 8:09
Categorieën: Loon- en premieheffing

De aanscherping van het gebruikelijkheidscriterium van de werkkostenregeling per 1 januari 2016, zoals aangekondigd door staatssecretaris Wiebes van Financiën, maakt de regeling er in de praktijk niet duidelijker op. Integendeel.

De bewindsman schetst eerst het wettelijk kader van de loonheffing, met daarin de plaats van de werkkostenregeling, om vervolgens een beleidsregel van de belastingdienst te onderschrijven, die daar haaks op staat!

Waar ik het over heb? Over de € 2400 regel die de belastingdienst hanteert bij de toetsing aan het gebruikelijkheidscriterium. Wiebes zou die niet moeten kunnen ondersteunen, maar hij doet het wel!

Hoofdregel loonbelasting

Wat is het geval? Bij de behandeling in de Kamer van het wetsvoorstel OFM 2016 zegt de bewindsman het volgende: “De hoofdregel in de loonbelasting is en blijft dat de belasting over het loon voor rekening van de werknemer komt.” Daar is geen woord Grieks bij. In principe is het de werknemer die de belasting over zijn loon moet betalen en niet de werkgever. Prima: ik ben het daar helemaal mee eens.

Wiebes vervolgt: “De vrije ruimte is met name bedoeld voor loon met een gemengd karakter – dat wil zeggen voor vergoedingen en verstrekkingen met een zakelijk element maar waar de werknemer een privévoordeel van heeft – of voor kleine loonbestanddelen als een kerstpakket.” Ook dit is volslagen duidelijk: de vrije ruimte is primair bedoeld voor vergoedingen en verstrekkingen met een gemengd karakter.

Dus, vraag ik mij dan af, hoe is het dan mogelijk dat zuivere arbeidsbeloningen, zoals bijvoorbeeld een bonus, geheel of gedeeltelijk in de vrije ruimte mogen worden gestopt?

Deuken

De bedenker van de werkkostenregeling, toenmalig staatssecretaris Jan Kees de Jager, was duidelijk: de regels van de werkkostenregeling komen in de plaats van de regels voor vrije vergoedingen en verstrekkingen. Ook de fiscale wetgever is duidelijk: de regels voor vrije vergoedingen en verstrekkingen zijn geschrapt en de regels van de werkkostenregeling zijn ingevoerd. Kortom, de reikwijdte van de regeling is helder: het gaat over vergoedingen en verstrekkingen en dus niet over arbeidsbeloning.

Het eerste deukje in de duidelijkheid van de regeling kwam in 2011, met de toestemming van de belastingdienst om voor zover er nog vrije ruimte over was, deze niet onbenut te laten, maar te vullen met een deel van de dertiende maand. Ik zat in de zaal toen de vraag werd gesteld en mijn oren klapperden bij het antwoord van de dame van de belastingdienst. Hè? Een stukje zuivere arbeidsbeloning in de vrije ruimte plaatsen? Mag dat? Daar was de regeling toch niet voor bedoeld! Maar ja, je bent gek als je daar als werkgever geen gebruik van maakt. Toch?

De tweede, wat grotere deuk, ontstond bij de verschijning van het Handboek Loonheffingen 2014, versie oktober. Daar was-ie opeens: de € 2400 regel. Tot dit bedrag per persoon per jaar vindt de belastingdienst een vergoeding of verstrekking sowieso gebruikelijk. Oftewel: tot dat bedrag wordt niet eens gekeken waar dat bedrag uit bestaat! Er wordt ook niet gerept over een beperking tot de resterende vrije ruimte. Nee, tot € 2400 per werknemer per jaar vindt de fiscus het prima. Uitermate sympathiek geste en je bent gek als je daar als werkgever geen gebruik van maakt. Toch?

Aanscherping gebruikelijkheidscriterium

En nu, anno 2016, komt staatssecretaris Wiebes dus met een aanscherping van het gebruikelijkheidscriterium. Dat moet een rem zetten op het misbruik van de vrije ruimte voor vergoedingen en verstrekkingen die niet gebruikelijk zijn. Mogen bonussen er dus niet meer in? Hm, dat is niet geheel duidelijk. Het ligt eraan hoe hoog ze zijn. Maar ja, denk ik dan, wat is hoog?

Maar daarnaast moet ook op andere dingen worden gelet. Is het aanwijzen door de werkgever van deze vergoeding of verstrekking als werkkostenloon wel gebruikelijk, gelet op het verleden? En de hoogte, is die niet ongebruikelijk? En wat gebeurt er bij andere werkgevers? En bij andere werknemers? En zou er sprake kunnen zijn van tariefsarbitrage? Kortom: de werkgever heeft heel wat uit te leggen bij een belastingcontrole.

En dat is ook precies de bedoeling, zo stelt Wiebes: “Het gebruikelijkheidscriterium is niets meer en niets minder dan een veiligheidsklep om te beoordelen of niet ten onrechte afgeweken wordt van deze hoofdregel.” En die hoofdregel is dat de belasting over het loon in principe voor rekening van de werknemer komt.

De € 2400 regel

Oké. Een veiligheidsklep voor de hoofdregel dus. Maar hoe zit het dan met die € 2400 regel? Blijft die, of gaat die, na Wiebes’ aanscherping van het gebruikelijkheidscriterium?

Wiebes geeft zelf het antwoord: “De grens van € 2400 per werknemer die in het Handboek Loonheffingen 2015 wordt genoemd, is een doelmatigheidsgrens die door de Belastingdienst wordt gehanteerd in verband met risicogericht handhaven. De voorgestelde verduidelijking van het gebruikelijkheidscriterium heeft geen gevolgen voor deze doelmatigheidsgrens.”

Dus, geachte werkgever, zolang u onder de doelmatigheidsgrens van € 2400 per persoon per jaar blijft, kunt u – zo begrijp ik dat tenminste - de aangescherpte regels van het gebruikelijkheidscriterium volledig aan uw laars lappen. Gefeliciteerd!

Blijft overigens wel de vraag hoe u dat bijhoudt, die € 2400 per persoon per jaar. Want dat bijhouden per persoon zou logischerwijs ook voor loon moeten gelden dat u in de vrije ruimte plaatst. Zie mijn blog Belastingdienst kleurt (te ver) buiten de lijntjes (mei 2015). Maar dit terzijde.


Aanscherping vs doelmatigheid

Je kunt de vraag stellen of na de aanscherping van het gebruikelijkheidscriterium de € 2400 regel in stand kan blijven. Want doelmatigheidsgrens of niet, het kan toch niet zo zijn dat je als bewindspersoon eerst uitgebreid het wettelijk kader van de loonbelasting schetst als verantwoording voor het aanscherpen van het gebruikelijkheidscriterium, om dan vervolgens de € 2400 regel vrolijk ongemoeid te laten.

Maar van de andere kant, waarschijnlijk bekijkt de bewindsman het ook van de praktische kant en is hij al tevreden als hij voldoende onzekerheid weet te creëren voor de hogere bedragen. Want onzekere werkgevers worden voorzichtige werkgevers en voorzichtige werkgevers vormen een perfecte ‘veiligheidsklep’ tegen (te) slim gebruik van de vrije ruimte en het 80% tarief (tariefsarbitrage).

Ingeval dat inderdaad de opzet van de staatssecretaris is: Gefeliciteerd excellentie! Missie geslaagd!

Han Bakker – MBZ Consultancy


blog_image:profsg_1449818287566a78af60116.jpg:end_blog_image

Lees hier de andere blogs van Han


 

Reageer

Ideale werving en selectie voor de salarisadministratie

 

Al 10 jaar lang dé partner binnen salarisadministratie

Met opleidingen helpen we salarisprocessen te verbeteren

Cookie-instellingen